Een volle kerk

Een volle kerk

Door: Dick Kreuzen (archivaris Oude Kerk)

Als incidentele lezer van “Dichtbij” valt mij op dat de verschillende kernen binnen de protestante gemeente Soest steeds vaker zich richten op “de buitenwacht”. Begon het in het verleden dat de Open Hof zijn gebouw openstelde door het aanbieden van koffie, thee, middagmaaltijden en andere horeca activiteiten. De Willemien volgde daarop. En ook de Emmakerk lijkt al een tijdje bezig te zijn. Last but not least is ook de Oude Kerk begonnen met een onregelmatige koffieochtend. Hoewel ik op school ben gegaan naar een LO en ULO die opgericht werd door de Nederlands Hervormde Zendingsgemeente heeft deze vorm van zieltjes winnen mij nooit erg aangesproken. Toch heb ik mij laten verleiden en heb een van de koffieochtenden in de Oude Kerk bezocht. Het voelde voor mij ondanks aanvankelijke scepsis wel goed. Maar dat ligt waarschijnlijk zowel aan het gebouw als aan de andere bezoekers die mijn weerstand tegen dit soort happenings lieten wegvallen. Ik begrijp ook wel dat men ook probeert om de reguliere kerkgangers niet van de kerk te laten vervreemden. En dat lijkt zeker nodig in deze coronatijd.

Als archivaris kom ik een brief tegen geschreven door de federatieve wijkgemeente Soest-Noord aan het College van Beheer, waarin men zijn zorgen uitspreekt over het grote aantal kerkgangers dat de paasdienst in 2004 bezocht. Hierop zou toch gereageerd moeten worden! Dit is al bijna net zo erg als de brief die men ruim voor de tweede wereldoorlog vanuit de Oude Kerk aan het gemeentebestuur zond om te verzoeken om politie assistentie, zodat de kerkgangers bij het verlaten van de kerk veilig konden oversteken.
In de Oude Kerk werd er in 1911 geklaagd over gebrek aan plaats in de kerk, doch dat had een geheel andere reden. De zitplaatsen werden jaarlijks verkocht om inkomsten te genereren. Doch de mensen die hun plaatsgeld betaald hadden kwamen niet elke keer bij de dienst, waardoor plaatsen leeg bleven. De eerstkomende keer dat men zich echt zorgen moet maken over een volle kerk bij de PGS is bij de herdenking van degenen die afgelopen jaar zijn overleden en bij de Kerstviering. Want hoewel we zeker een groot aantal reguliere kerkgangers kennen is de kerst een buitengewone periode waarin mensen die anders niet ter kerke gaan zich toch op zo’n moment aan kerkbezoek wagen. Ik ben dan ook heel benieuwd welke maatregelen zowel landelijk als plaatselijk genomen worden om deze vieringen te laten doorgaan.

Bij de camping in Beieren waar wij vaker verblijven hebben wij aan de wieg mogen staan van de bouw van een nieuwe kapel. *) Deze is gesticht als oecumenisch gebeuren. Voor de inwijding hiervan zijn zowel de pastoor uit het nabij dorp als de vrouwelijke dominee uitgenodigd om deze dienst te houden. In de kapel zijn slechts zes zitplaatsen, maar door de dominee werd gezegd dat er niets mooier was dan om een openluchtdienst te houden. Door haar stentorstem is het dan ook geen enkel probleem als deze diensten in de openlucht worden gehouden. Maar of we bij de Oude Kerk ook op een dergelijke manier onze diensten kunnen houden, is maar zeer de vraag…

*) Voor degenen die meer zouden willen weten over de bouw van een nieuwe kapel in deze tijden van secularisering wil ik verwijzen naar de site: http://www.xn--wstenkapelle-dlb.de/

Een bijenhotel in de Hof van Lof

Een bijenhotel in de Hof van Lof

Door: Henk Dijkink, vrijwilliger kerktuin Oude Kerk

Soester Jaap van den Berg is een regelmatig bezoeker van onze kerktuin. Als deskundige op het gebied van solitaire, wilde bijen, is hij steeds op zoek naar nieuwe soorten. Door het veranderende klimaat trekken insecten uit zuidelijke streken steeds vaker in noordelijke richting, en komen ze dus ook in ons land terecht. En met de vele bloemen in de kerktuin treffen we ze dus ook daar aan. Zo spotte Jaap al de zeldzame lathyrusbij en de gehoornde metselbij in ‘De Hof van Lof’.

Jaap is als kenner van de solitaire bij actief in samenwerking met de gemeente Soest. Mede op zijn initiatief stimuleert onze gemeente burgerinitiatieven m.b.t. bijen en vlinders. “Soest is goed bezig, maar het kan nog altijd beter. Hoe meer bloemen, bomen, struiken en vaste planten er zijn hoe meer verstuiving er plaatsvindt door bijen en vlinders. We hebben de verstuivers tenslotte nodig voor ons voedsel”, verklaart Jaap. “We zijn blij dat we aan de criteria van ‘bijvriendelijke gemeente’ voldoen en zien dit vooral als aanmoediging om nog meer te doen. Als het gaat om biodiversiteit kan er nog veel meer gedaan worden in onze gemeente. Natuur in de bebouwde omgeving is geen overbodige luxe, er is werk aan de winkel voor iedereen!”

Door zijn inzet binnen onze gemeente mag Jaap op door hem gekozen locaties bijenhotels plaatsen, namens de gemeente Soest (NB: Jaap maakt ze zelf, samen met zijn broer Ruud). En dit is de reden dat er eind augustus een bijenhotel in onze kerktuin is geplaatst, aan de achterkant van het koor; speciaal voor de lathyrusbij en de gehoornde metselbij.
Een mooi cadeau voor onze ‘jarige’ kerktuin die op 10 september 2005 officieel werd geopend en dus al 15 jaar bestaat!

Foto: Henk Dijkink

Lathyrusbij in onze kerktuin

Lathyrusbij in onze kerktuin

Door: Henk Dijkink, vrijwilliger kerktuin Oude Kerk

Soester Jaap van den Berg is imker en deskundige op het gebied van solitaire, wilde bijen. Hij is initiatiefnemer van de
bijen- en vlindertuin aan de Boekweitland te Soest. Daarnaast zorgde hij ervoor dat gemeente Soest een bijvriendelijke
gemeente werd, als onderdeel van Nederland Zoemt. Kortom, een gedreven bijenvriend. Jaap neemt geregeld een kijkje in onze tuin. Recent trof hij een bijzondere bij in de lathyrus aan: de lathyrusbij, hoe origineel! Niet zeldzaam, maar wel speciaal, voor het midden van ons land. ‘De Hof van Lof’ is de derde locatie in Soest waar de bij is gezien.

De latyrusbij komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied. Maar doordat we met een warmer klimaat te maken krijgen, tref je de bij steeds vaker in meer noordelijke gebieden aan. In Nederland wordt de bij voornamelijk in het zuiden van Limburg en in Zeeland aangetroffen. Maar een opmars in noordelijke richting valt nu waar te nemen. Vorig jaar trof hij de gehoornde metselbij aan in “De Hof van Lof”, de eerste (!) waarneming in Soest. Reden voor hem om op de Nationale Open Imkerijdag (zaterdag 11 juli j.l.) een bijenfietsexcursie in Soest te organiseren en met 15 deelnemers diverse mooie bijen-locaties te bezoeken. En daar hoort ‘De Hof van Lof’ ook bij! Henk Dijkink heeft uitleg over het ontstaan van onze kerktuin gegeven, en Frans Hoogeweg was present om de groep te begeleiden de toren te beklimmen.
Foto: Jaap van den Berg

Over de beeldenschat van de Oude Kerk

Over de beeldenschat van de Oude Kerk

Door: Dick Kreuzen (archivaris Oude Kerk)

Na afloop van een van de muzikale voordrachten van het duo Rens Bijma – Kees Bregman kwam ik in gesprek met Gert Bouwman die mij vertelde dat zijn schoonzoon een scriptie had geschreven over de passieretabel van Soest. Daar wilde ik graag meer van weten, vandaar dat ik vroeg of ik die kon lenen. En daaruit voortvloeiend heb ik getracht een samenvatting te maken die ik anderen niet wil onthouden.

Bij de restauratie van de toren werden op 1 september 1905 in een dichtgemetseld vertrek achttien eikenhouten sculpturen en fragmenten van pijpaarden beeldjes ontdekt. Het gaat daarbij om twee helften van een Marianum, tien vrijstaande sculpturen met voorstellingen van: Maria met kind, Anna-te – drieën, Petrus, Paulus, Johannes de Doper, Adrianus, een niet identificeerbare Priester, een niet identificeerbare Paus, Cunera en Agatha. Verder retabelfragmenten met voorstellingen van Christus in de Hof van Olijven, de Geseling, de Kruisdraging, de Calvarie, de Graflegging en Christus in het Voorgeborchte.

Verondersteld wordt dat deze beelden verstopt zijn toen plunderende Calvinisten in 1580 rondtrokken door het Gooi. Om verder verval tegen te gaan zijn de beelden direct na hun vondst geprepareerd met een harspreparaat en overgedragen aan het huidige Rijksmuseum te Amsterdam. Bijkomend voordeeltje voor de Gemeente Soest was dat de restauratiekosten van de toren daardoor gedeeltelijk werden overgenomen door het rijk. Van de retabelkast zijn enkele consoles en loden elementen ook bewaard gebleven.
Het belang van deze vondst voor de kunstwereld is in het bijzonder dat het de enige overgebleven complete middeleeuwse retabel betreft, waarvan bijna zeker is dat het afkomstig is van een en dezelfde beeldsnijder (of een atelier). Dit in tegenstelling tot andere beeldengroepen, waarvan onduidelijk is of ze van dezelfde maker zijn.

Een eerste beschrijving van de beeldenschat is vlak na de vondst gedaan door J. Kalf *) Door Klara Broekhuijsen-Kruijer *) is in 1984 onderzoek gedaan naar de samenstelling van de retabel. Volgens haar reconstructie had de retabel oorspronkelijk een afmeting van ca. 4m bij 1,55 a 1,80 m. Ze had de vorm van een T-vormige kast, onderverdeeld in zeven compartimenten waarbij het middelste Christus aan het kruis vertoonde. Voortbordurende op het onderzoek van Klara Broekhuijsen-Kruijer en op basis van de stilistiek van de beelden heeft Bas Nederveen *) een nadere inschatting gemaakt naar de ouderdom van de beelden. Hij moest wel zo te werk gaan omdat er geen archivalia beschikbaar zijn over de beelden. Het wordt door hem aannemelijk gemaakt dat de vrouwelijke heilige zonder hoofd de Heilige Agatha voorstelt. Immers zij is de patroonheilige van het gilde in Soest.

De retabel zelf wordt gedateerd op ca. 1481 – 1494. Het zal volgens zijn inschatting en argumentatie reeds spoedig na de herbouw van de kerk na de brand van 1481 zijn vervaardigd. De vervaardiger van deze beeldengroep heeft de noodnaam gekregen van Meester van het Retabel van Soest. Omdat er verder geen archivalia over de beelden bestaan zal men het hier voorlopig mee moeten doen. Gezien de belangrijke plaats binnen het rituele gebeuren zal de retabel al snel na de herbouw van de kerk zijn gemaakt. Ditzelfde geldt ook voor de beelden van Petrus en Paulus die immers de patroonheiligen van de kerk waren. Door Nederveen zijn twee gravures ontdekt waarnaar twee van de retabelgroepen zijn gesneden. Dit betreft de fragmenten de Geseling en het Voorgeborchte. (zie ook bijgaande foto’s)

Gezien de grote overeenkomsten tussen de beelden en de gravures kunnen sommige losse beeldfragmenten nu beter geplaatst worden binnen de retabel. De hier bedoelde gravures zijn gemaakt door de Meester van de Banderolles die een passiecyclus maakte omstreeks 1470. Hij ontleende zijn ontwerpen weer aan een aantal andere gravures. Van de 106 bekende gravures met zijn hand bleken er 34 integrale kopieën te zijn en 63 bevatten motieven van andere gravures. Schertsend wordt wel eens gesteld dat de Meester van de Banderolles ook een Meester kopiist was. De altaren van de broederschappen zijn meestal ook versierd met beelden van hun patroonheiligen, die ook daarom als eersten na de brand zullen zijn aangeschaft. Dit betreft dan de Annabroederschap. Naast de Anna te Drieën wordt de staande Madonna met kind door Nederveen gedateerd op 1481-1494. Met als maker een beeldsnijder uit de omgeving van Jan Nude (†1494) . Die werkzaam was in Utrecht.

De beelden van een onbekende Priester en onbekende Paus hebben niet voldoende kenmerken om ze aan een bepaalde bekende beeldsnijder toe te schrijven, zodat er volstaan wordt om ze te dateren op ongeveer 1500.
Het beeld van Adrianus wordt naar aanleiding van het harnas dat hij draagt en zijn hoofddeksel gedateerd op omstreeks 1500. De beelden van Petrus, Paulus en Johannes de Doper worden toegeschreven aan één atelier en worden gedateerd uit voor 1507. Omstreeks 1520 zijn de laatste drie sculpturen uit Soest gereed gekomen te weten: de beide helften van het Marianum, St. Cunera en St. Agatha. Deze beelden worden op grond van hun stilistiek met dezelfde maker in verband gebracht. Zij worden gedateerd op omstreeks 1525. Dat de sculptuur van St. Agatha de schutspatroon van het schuttersgilde pas rond 1525 lijkt te zijn gemaakt, heeft er mogelijk mee te maken dat het gilde haar pas laat als schutspatroon koos. (De naam Aechtengilde komt pas voor in acten van Soest uit 1569.)

*) Literatuur:
J. Kalf: Een belangrijke vondst Het Huis oud en nieuw 3 1905 pp 289-301
Klara Broekhuijsen-Kruijer; Het Passieretabel uit Soest. Bulletin van het Rijksmuseum, 1984, 32 p 3-16
Bas Nederveen: Soest, tussen Amersfoort en Utrecht. Een studie naar de herkomst van de laatgotische sculptuur uit de Hervormde Kerk te Soest (Doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 1999)
Bas Nederveen: Het Passieretabel uit Soest. Kanttekeningen bij een reconstructie Bulletin van het Rijksmuseum, …. p 271-281

In het kader van “kerkepad” werden in 1978 enkele beelden tijdelijk weer tentoongesteld in De Oude Kerk. Dit betrof: staande geestelijke, Johannes de Doper, Maria met kind, de pijpaarden madonnakop en enkele losse pijpaarden fragmenten. Ook in 1985 is een aantal beelden in De Oude Kerk tentoongesteld.
Het zou mij een goed idee lijken wanneer bij de herinrichting van De Oude Kerk voor de samengevoegd Protestante Gemeente Soest ook weer een plek werd ingeruimd voor in ieder geval een deel van deze middeleeuwse kunstuitingen. Het lijkt mij altijd beter wanneer de beelden zichtbaar in onze kerk staan, dan wanneer ze voor niemand zichtbaar in een depot liggen.

De Hof van Lof heeft het zwaar …..

De Hof van Lof heeft het zwaar …..

Door: Henk Dijkink (vrijwilliger kerktuin ‘Hof van Lof’)

Een echte winter hebben we wéér niet gehad. Maar wel een erg natte maand februari. Met vervolgens veel zon en hoge temperaturen in maart. Vandaar dat bomen en struiken al vroeg begonnen uit te lopen. En de bollen kwamen dit jaar ook weer vroeger boven de grond. Dus was er begin maart al voldoende werk aan de winkel in “de Hof van Lof”. Door de vele stormen lagen er heel wat dode takken en bladeren, en was het dus opruimen geblazen. Intussen is de tuin weer mooi op orde. De corona-tijd heeft de werkzaamheden niet echt dwars gezeten. Een ieder heeft zo zijn eigen perkje te onderhouden, dus je loopt elkaar niet voor de voeten. En de tuin is groot genoeg om afstand te bewaren!

Hadden we vorig jaar veel last van de buxusmot, dit jaar veel minder. Logisch, er zijn zoveel buxussen geruimd vorig jaar, dat de buxusmot veel minder plekjes heeft om haar eitjes te leggen. En ja, ook de koolmezen weten de rupsen nu te vinden. Mei werd gekenmerkt door een warme en droge maand. Dus de planten helpen met wat sproeiwater is een goede zaak. Ook de dahliaknollen zitten weer in de grond en worden rijkelijk begieterd. Want ze moeten in het najaar wel weer uitbundig bloeien!